Bartók – Concert voor orkest

Bartók Béla (1881-1945)
Concert voor orkest, Sz. 116 (1943)

Toen Bartók in 1940 het steeds fascistischer wordende Hongarije verruilde voor de vrijheid van de Verenigde Staten, dacht hij dat zijn carrière als componist voorbij was. Hij voelde zich er nooit helemaal thuis, en hoewel hij hier en daar wel werk vond als pianist en musicoloog was zijn eigen muziek “aan de overkant” totaal onbekend. Bovendien begon zijn gezondheid hem in de steek te laten; in 1944 werd er, na vier jaar van verkeerde diagnoses, uiteindelijk leukemie bij hem vastgesteld, waar hij een jaar later ook aan zou overlijden.

Op aandringen van Bartóks landgenoten Szigeti en Reiner bracht de dirigent van het Boston Symphony Orchestra, Serge Koussevitsky, hem in 1943 een bezoek in het ziekenhuis. Wetende, dat de componist ondanks alle moeilijkheden te trots was om liefdadigheid aan te nemen, gaf Koussevitsky hem een compositieopdracht. De verwachting was nooit dat Bartók deze nog zou voltooien, maar de dirigent hoopte, dat het voorschot van $500 hem en zijn familie wat steun kon geven in zijn laatste dagen. De opdracht gaf Bartók echter zoveel zelfvertrouwen, dat hij vervolgens binnen twee maanden zijn Concert voor orkest voltooide. De première, een jaar later, was een doorslaand succes bij zowel publiek als critici, en sindsdien heeft het stuk, één van Bartóks toegankelijkste, een terechte plaats gevonden in het standaardrepertoire.

Concert voor orkest—een tegenstrijdige titel. Het stuk heeft de bezetting, lengte, en diepgang van een symfonie, dus waarom heet het geen symfonie? Het geheim zit in de manier, waarop Bartók met alle verschillende instrumenten omspringt. In de wetenschap, dat het BSO onder Koussevitsky was uitgegroeid tot één van de beste, meest virtuoze orkesten ter wereld, gaf de componist iedereen zijn eigen moment voor het voetlicht; elke instrumentgroep is afwisselend solist en begeleider. Alle spelers moeten voor dit stuk dus ook van solistisch kaliber zijn—een reden wellicht, waarom het werk zo populair is geworden: als een soort “proeve van bekwaamheid” voor een orkest.

Qua structuur is het stuk symmetrisch opgebouwd: een langzaam deel (Elegia), het emotionele hart van het werk, geflankeerd door twee lichte, schertsende delen, met aan de uiteinden een Introductie en een Finale, beide in een snel tempo en grootschalig van opzet. Mede om op de Amerikaanse smaak aan te sluiten paste Bartók zijn componeerstijl een beetje aan; waar zijn latere Europese werken vaak bijtend dissonant, ritmisch complex en sterk geconcentreerd waren, komt hij het publiek hier iets meer tegemoet. De volksmuziek uit Hongarije en de Balkan, een rode draad door al zijn werk, treedt meer op de voorgrond, en de muziek is vaak onbeschaamd tonaal en melodisch.

I. Introduzione (Andante non troppo)

De titel van dit deel is op twee manieren op te vatten: enerzijds is het uiteraard de introductie van het stuk, anderzijds gebruikt Bartók het ook om veel van de ideeën, die hij in de andere delen gaat gebruiken, te introduceren. Ook krijgen veel van de instrumenten van het orkest alvast hun “concertante” introductie, alsof de componist aan het uitproberen is, wat het orkest allemaal in huis heeft.

II. Giuoco delle coppie (Allegretto scherzando)

Het eerste van de twee “tussenspelen” heet, vertaald, Spel van de paren—en het wordt al snel duidelijk waarom. Op een subtiele begeleiding van de strijkers speelt telkens een tweetal blazers een karakteristieke solo, elk met een ander interval ertussen: achtereenvolgens fagotten, hobo’s, klarinetten, fluiten en (gedempte) trompetten. Na een ingetogen, maar ruim opgezet koraal van het koper keert het “parenspel” terug, in dezelfde volgorde, maar nu bemoeien de andere blazers zich er ook mee. Het deel eindigt op dezelfde manier als het begint, met een solo van de kleine trom.

III. Elegia (Andante non troppo)

Het “emotionele hart” van het stuk laat horen hoe Bartók zich in zijn laatste jaren moet hebben gevoeld: verlaten, ontheemd, verzwakt. Het deel begint in wat de componist nachtmuziek noemde: mysterieuze, kleine figuurtjes tegen een duistere achtergrond, met een hoofdrol voor de piccolo. Plotseling volgt er een uitbarsting van het hele orkest met materiaal uit het eerste deel, waarna de nachtmuziek lijkt terug te keren, ditmaal vergezeld door een solo van de altviolen. Een tweede uitbarsting, en dan gaat definitief het licht weer uit, met in de verte alleen nog de piccolo.

IV. Intermezzo interrotto (Allegretto)

Wat volgt is het tweede tussenspel, Onderbroken intermezzo. Het intermezzo bestaat uit twee onregelmatige, volksmuziek-achtige melodieën, de eerste opgewekt, door de hobo; de tweede romantisch, geïntroduceerd door de altviolen. Plotseling komt door dit “niemendalletje” een klarinet met een onbehouwen marsmuziekje, dat beantwoord wordt door onbeleefde geluiden van het koper en vervolgens uitgelachen door de rest van de houtblazers. Dit herhaalt zich vervolgens een paar keer, steeds lomper wordend, tot de muziek van het begin terugkeert “alsof er niets gebeurd is, maar wel iets droeviger dan eerst.”

De onderbreking is een parodie op een thema uit de Zevende ofwel Leningrad-symfonie van Shostakovich, een bombastisch werk uit de Sovjettraditie dat tijdens de oorlog ook regelmatig op de Amerikaanse radio te horen was. Verbitterd dat zijn eigen muziek onbekend bleef maar hij dit flauwe deuntje niet meer uit zijn hoofd kreeg, besloot Bartók het in zijn eigen stuk eens goed belachelijk te maken.

V. Finale (Presto)

Een hoornsignaal luidt het slotdeel in, waarna de strijkers een soort wervelwind inzetten, die gaandeweg door het hele orkest wordt overgenomen. Duidelijk is overal de invloed van de Hongaarse volksmuziek te horen, en niets doet vermoeden dat de componist in feite op sterven lag. Even proberen enkele houtblazers er een rustiger stuk van te maken, maar dan begint weer een nieuw, wervelend machientje in de strijkers, waar één voor één alle koperblazers gretig gebruik van maken. Plotseling krijgen we dan toch nog een staaltje van de intellectuele Bartók: een fuga! Wanneer hij ècht alle mogelijkheden van het thema heeft uitgeprobeerd horen we nog een klein stukje nachtmuziek, maar vervolgens wervelt het geheel door tot aan een triomfantelijk, kolossaal einde.

Comments are closed, but trackbacks and pingbacks are open.