Mahler 9

Gustav Mahler (1860-1911)

Negende symfonie (1909-1910)

Vaarwel—lebewohl—goodbye—adieu. Vier manieren om afscheid te nemen. In zijn Negende symfonie, geschreven aan het eind van zijn leven, en aan de vooravond van de stormachtige twintigste eeuw, doet Mahler precies dat. Het stuk is een samenvatting van Mahlers werk, van zijn leefwereld in het Wenen van rond de eeuwwisseling en van het muzikale landschap van die tijd. Men ziet er echter ook een vooruitblik in naar de tumultueuze gebeurtenissen van de rest van de twintigste eeuw, ook op muzikaal gebied. Slechts enkele jaren later zou zijn protégé Arnold Schönberg definitief de tonaliteit verlaten, Igor Stravinsky zijn Sacre du Printemps schrijven, en zou de Eerste Wereldoorlog heel Europa op zijn grondvesten doen schudden. Mahler staat zogezegd aan de rand van de afgrond, en kijkt nog één keer nostalgisch over zijn schouder naar datgene, wat hij achter moet laten.

Het was een zeer ongelukkige verzameling gebeurtenissen, die deze nostalgie bij de componist teweegbracht. In het voorjaar van 1907 moest hij onder invloed van antisemitische sentimenten zijn baan als dirigent van de Weense Hofopera opzeggen. Later dat jaar stierf zijn vijfjarige dochtertje Maria aan roodvonk, en kort daarna kwam hij erachter dat hij een serieuze hartkwaal had, en op doktersadvies zijn drukke leven drastisch aan banden moest leggen. Mahler bleef echter even actief als tevoren, en nam een nieuwe baan aan als dirigent bij de Metropolitan Opera in New York, dirigeerde enkele malen de New York Philharmonic en ondernam een tournee door Nederland, naast optredens in onder andere Praag, Rome en Sint-Petersburg. In de zomers ging ook zijn componeerwerk op volle snelheid door—wellicht had de kennis, dat hij niet lang meer te leven had, hem juist vernieuwde energie gegeven.

Onder invloed van wat wel “de vloek van de Negende” wordt genoemd, schreef Mahler echter na zijn Achtste symfonie uit 1906 eerst Das lied von der Erde. Deze “vloek” was een bijgeloof, dat na Beethoven, Schubert en Bruckner niemand méér dan negen symfonieën meer zou kunnen schrijven. Door dit stuk, een grootschalig orkestwerk met twee zangsolisten, geen symfonie te noemen meende de componist de vloek te hebben gebroken, en kon hij daarna vol goede moed aan zijn eigen Negende beginnen. Uiteindelijk zou zijn zwakke gezondheid hem tijdens het componeren van zijn Tiende symfonie toch inhalen; hiervan is alleen het eerste deel helemaal voltooid.

In veel van Mahlers symfonieën wijkt de componist af van de traditionele, symfonische vorm, door het gebruik van gezongen tekst of door meer of minder dan de gebruikelijke vier delen te schrijven. Beide aspecten zitten in Das Lied von der Erde: dit bestaat uit zes orkestliederen, met teksten uit klassieke Chinese poëzie. Bovendien is het zesde deel (Der Abschied) even lang als de eerste vijf bij elkaar. Deze Negende echter heeft, heel klassiek, vier delen, en er wordt niet in gezongen. Hier is echter iets anders aan de hand: beide buitenste delen zijn matig tot zeer langzaam, en deze flankeren twéé vlotte, venijnig-opgewekte scherzo’s. Bovendien maakt Mahler gebruik van zogeheten “progressieve tonaliteit”: als symbool van de doorgemaakte emotionele ontwikkeling eindigt de symfonie in een andere toonsoort, dan hij begint.

Het eerste deel, Andante comodo, begint uiterst kalm en ingetogen, met een enkele, haperende noot. Dirigent en componist Leonard Bernstein hoort hierin de onregelmatige, ruisende hartslag van Mahler zelf, zich bewust van zijn naderende einde. Langzaamaan ontpopt zich een warme, nostalgische strijkersmelodie, die—nogmaals, uiterst langzaam en gestaag—plaatsmaakt voor duisterder klanken. Mahler neemt in dit deel afscheid van de liefde. Opvallend genoeg citeert de componist op diverse plaatsen in dit deel de openingsmelodie van de wals Freut euch des Lebens van Johann Strauss. Echter, het opgewekte walstempo van het origineel heeft plaatsgemaakt voor een mysterieuze mars, met als aanduiding Schattenhaft—schaduwrijk. Op dit moment heeft Mahler in het manuscript enkele woorden in de kantlijn geschreven: “O dagen van jeugd- verdwenen! O liefde- verstrooid!” De populaire melodie uit 1870 is een symbool van vergane glorie, van een Wenen dat nooit meer hetzelfde zal zijn. Tegelijk is de titel (“Geniet van het leven”) uiteraard een aanmoediging, ook voor Mahler zelf.

In de enorme boog van dit eerste deel zijn er meerdere terugkerende elementen, die veelal in de openingsmaten al zijn aangekondigd. Het haperende ritme, en een motief van twee dalende noten (Vaar-wel, vaar-wel…) maar ook een onheilspellend, fanfare-achtig thema in het koper. Alles komt op een zeer organische wijze bij elkaar, met enorme, diepgevoelde climaxen en momenten van uiterste intimiteit; veel critici beschouwen dit deel dan ook als het best opgebouwde uit Mahlers gehele oeuvre. Aan het einde van het deel speelt een soloviool nog één keer een langzaam uiteenvallende versie van de Freut euch des Lebens-melodie, waarna de muziek eindigt in stille berusting.

Het tweede deel is een andere vorm van afscheid, ditmaal van de natuur en het platteland. Mahler schrijft als tempo-aanduiding Im Tempo eines gemächlichen Landlers, etwas täppisch und sehr derb: gemakkelijk, ietwat onbeholpen en ruig. De Ländler was de voorloper van de Weense wals: een Oostenrijkse boerendans in driekwartsmaat. Veel van Mahlers symfonieën bevatten dergelijke Ländler: verwijzingen op het grensvlak tussen ironie en sentiment, daar waar de componist zich maar al te graag begaf. De muziek is ook enigszins onbeholpen, met abrupte overgangen en ongemakkelijke instrumentaties. Naïviteit is het sleutelwoord. Gaandeweg loopt het geheel steeds meer uit de hand en worden de verschillende dansmelodieën vervormd, tot het hysterische aan toe. Op sommige momenten voelt het niet zozeer als een afscheid, maar meer als een afrekening met het materiaal. Net als in het eerste deel eindigt Mahler ook hier door de melodie stukje bij beetje af te breken, tot er aan het einde slechts een knipoog overblijft.

In het derde deel (Rondo-Burleske) neemt Mahler afscheid van het stadsleven, van geroddel, lawaai en cocktailfeestjes, van intellectuelen in cafés en marktkooplui op straat. Vanaf de eerste maten is de muziek een wervelwind van stemmen en tegenstemmen, die over elkaar heen buitelen en nergens bij stil blijven staan. De componist geeft hiermee ook een sneer naar critici, die beweerden dat hij geen contrapunt kon schrijven; “Hier”, lijkt hij te willen zeggen, “heb je nou je zin?” Halverwege het deel is er plotseling een moment van kalmte, wanneer een solotrompet het orkest tot de orde lijkt te roepen, en tegelijk vooruitblikt op het vierde deel. Al snel echter beginnen de houtblazers weer de draak te steken met de gedragen melodie, en uiteindelijk raast het orkest onverstoorbaar virtuoos verder tot de eindstreep.

Het tegenwicht, dat Mahler biedt voor de uitzinnigheid van het derde deel, komt in de vorm van het afsluitende Adagio, dat de onverstoorbare, langzame puls van het eerste deel voortzet. Een brede lijn van de violen leidt een strijkerskoraal in, ongeëvenaard rustig, met een bijna religieuze sfeer, Brucknerder dan Bruckner. Dit is een afscheid van het leven zelf, een ultieme berusting in de eigen sterfelijkheid, een verzoening met het lot. Nergens klinkt wanhoop of frustratie in de muziek door, maar desondanks is het, na al het voorgaande, een emotionele uitputtingsslag voor speler èn luisteraar. Net als in het eerste deel is ook dit Adagio zeer ruim van opzet, en wordt er op een organische wijze uiteindelijk naar een grote “catastrofe” toe gewerkt, die al in de eerste noten verborgen zat.

Tenslotte begint Mahler voor de laatste keer met het langzaam, heel langzaam afbreken van zijn materiaal. Nooit eerder durfde een componist het aan, zo lang te doen over zo weinig noten. Ersterbend, schrijft hij erbij. Gehalten. Äußerst langsam. Noot voor noot neemt Mahler ons mee naar de stilte, weg uit Wenen, weg uit de negentiende eeuw, weg van deze wereld. Hij laat ons horen, hoe sterven voelt. Hij zegt ons: het is goed zo. Vaarwel.