Sjos 10

Dmitri Dmitrijevitsj Sjostakovitsj
Symfonie no. 10 in E klein, op. 93

 

Het ontstaan van Sjostakovitsj’ Tiende symfonie is onlosmakelijk verbonden met het leven (en de dood) van Josef Stalin, Sovjetleider van 1924 tot 1953, het jaar waarin hij—in maart—stierf. Sjostakovitsj greep deze zojuist hervonden vrijheid aan om zich te wijden aan het eerste symfonische werk sinds hij in 1948 bij het regime uit de gratie was gevallen. Hij schreef deze symfonie—een van zijn meest persoonlijke werken—tussen juli en oktober van dat jaar, waarna op 17 december de première in Leningrad volgde.

Het eerste deel (Moderato) begint onheilspellend, vanuit de diepten van het orkest, met een thema dat in de loop van het deel steeds meer aan intensiteit wint. De klarinet introduceert een bijna naïef tweede thema, waarna zich langzaam een muziek ontvouwt die afwisselt tussen verstilde solo’s bij met name de houtblazers, die aan kamermuziek doen denken, en hevige climaxen voor het hele orkest. Het deel eindigt opmerkelijk, en niet minder onheilspellend, met twee piccolo’s—een wereld verwijderd van de bassen van het begin.

Het gewelddadige, maar korte Scherzo wordt algemeen beschouwd als een portret van de dictator Stalin zelf, van zijn onstabiele persoonlijkheid, van zijn onverstoorbaar doormarcherende Sovjetlegers, en volgens sommigen zelfs van zijn manier van praten.

Na deze uitbarsting keert Sjostakovitsj zich in het derde deel (Allegretto) naar binnen. Dit deel draait rond twee thema’s, die voor hem persoonlijk veel betekenden: het eerste is zijn eigen muzikale handtekening (D-Es-C-B/D-S-C-H) die in veel van zijn stukken voorkomt. Het andere thema (E-A-E-D-A), dat twaalf keer door de hoorns wordt herhaald, bleek pas in 1990 ook een “handtekening”  te zijn, en wel van een leerlinge van Sjostakovitsj: Elmira (E-La-Mi-Re-A) Nazirova. Dit deel weerspiegelt het probleem dat de componist had: hij was getrouwd, maar voelde eigenlijk liefde voor háár. Waar zijn eigen thema telkens anders wordt weergegeven—geheimzinnig, banaal, hysterisch—blijft háár naam een serene solo.

Het vierde deel opent langzaam en kil, maar algauw verschijnt er een onschuldig aandoend wijsje, dat gaandeweg verdrongen wordt door een woeste volksdans van Georgische oorsprong—een verwijzing naar Stalins geboortestreek—en uiteindelijk ook door het DSCH-motief, dat na deze symfonie vol worstelingen klinkt als een kreet van politieke èn persoonlijke overwinning.

 

© Hugo Bouma, 2010

Comments are closed, but trackbacks and pingbacks are open.