Beethoven 9

Ludwig van Beethoven (1770-1827)
Symfonie no. 9 in d op.125 met slotkoor op Schillers “Ode an die Freude” (1824)

Er is al veel geschreven over “de Negende”, er zal vast nog veel meer over geschreven worden. En niet ten onrechte. Waar de meningen ten tijde van de première in 1824 uitgesproken verdeeld waren is tegenwoordig bijna iedereen het erover eens dat deze symfonie een van de belangrijkste stukken uit de westerse muziekgeschiedenis is. Met name in de nogal bijgelovige negentiende eeuw bestond er de notie, dat na Beethoven geen enkele componist méér dan negen symfonieën zou kunnen schrijven; onder andere Mahler en Dvořák worden aangehaald als voorbeelden van deze “vloek van de Negende”.

Sinds Haydn, een halve eeuw eerder, stond de vorm van een symfonie min of meer vast. Deze was voor orkest, had meestal vier delen en bestond uit muziek zonder betekenis buiten het puur muzikale en abstracte. Deze symfonie gooide dat gegeven definitief om. Hoewel Beethoven al een “verhalende” symfonie had geschreven, zijn Zesde, met de pastorale indrukken van het platteland, en andere componisten vergelijkbare dingen hadden gedaan, werd hier het buitenmuzikale aspect explicieter dan ooit: gezongen tekst! Duidelijke, betekenisvolle woorden, in 1785 op papier gezet door de dichter Friedrich Schiller. Woorden, waarvan Beethoven dertig jaar eerder al het plan had om ze op muziek te zetten. Woorden, die er geen twijfel aan lieten waar het stuk over ging: vreugde! Overwinning! Een overwinning was het ook voor Beethoven zelf. Een overwinning op zijn doofheid, op de twijfels die er waren ontstaan over zijn muzikale kunnen, en op zijn terughoudendheid, laat in zijn leven, om met zijn muziek in de openbaarheid te treden.

En hij overwon. De première, in het volgens hem door Italianen gedomineerde Wenen, was een groot succes. Men liet de oude componist zelf dirigeren, “geholpen” door Kapellmeister Michael Umlauf. In werkelijkheid echter gaf Beethoven enkel aan het begin van elk deel het tempo, en dirigeerde Umlauf de rest, terwijl de dove meester ook de maat bleef slaan. Een fraaie anekdote is, dat toen het applaus uitbrak, hij nog steeds aan het dirigeren was, en door één van de solisten naar het publiek werd gedraaid om te zien dat de staande ovatie al was losgebarsten.

Een van de sterke punten van het stuk, is dat Beethoven zich ongeveer drie kwartier in weet te houden voordat hij de symfonie definitief omgooit; de eerste drie delen volgen min of meer de klassieke conventies. Pas als het vierde deel al een tijdje bezig is, horen we ineens de baritonsolist uitroepen: “O Freunde, nicht diese Töne! Sondern lasst uns angenehmere anstimmen, und freudenvollere.” Nadrukkelijk vraagt Beethoven hier om iets anders, dan iemand ooit gehoord heeft. Een uitroep om vreugde. Vreugde! Vreugde! Wat hierna komt, mag met recht een revolutie worden genoemd.

Het eerste deel begint fluisterzacht, met enkel “naakte” kwinten onderin het orkest. Er wordt wel gezegd dat de componist hier de indruk wilde wekken, dat het orkest nog aan het stemmen is. Kort hierna echter wordt het krachtige D-mineurthema gepresenteerd. De rest van het eerste deel blijft een stormachtige indruk wekken, met veel uitstapjes naar exotische toonsoorten en orkestrale hoogtepunten. Een transformatie naar D-majeur blijkt geen stand te kunnen houden; de storm gaat toch weer in mineur liggen.

Het Scherzo hierna begint met een zeer herkenbare verrassingsaanval van de pauken, voor de gelegenheid in octaven gestemd, iets wat Beethoven één symfonie eerder voor het eerst deed. Hierna ontvouwt zich een razendsnelle maar slechts bij vlagen luide fuga, waarin alle stemmen over elkaar heen buitelen en waarvan het onduidelijk blijft of deze snel in drieën, dan wel langzamer in vieren óf in drieën moet worden geteld. Als plotseling de muziek overgaat in tweeën is het tijd voor het opvallend rustige Trio: afwisselend strijkers en blazers spelen een nogal pastoraal aandoende melodie, die uitmondt in een statisch mineurakkoord. Na de herhaling van het scherzo keert, als de laatste van vele verrassingen in dit deel, het Trio voor een paar maten terug om het in tweeën te beëindigen.

Als derde, langzame deel schrijft Beethoven een verzameling tamelijk vrije variaties, waarin het thema, waar het deel mee begint, steeds meer ritmische omspelingen krijgt. Opvallend is de solistische behandeling van verscheidene instrumenten en instrumentgroepen, met name de eerste violen en de vierde hoorn. Na een aantal variaties wordt de statische, rustige sfeer plotseling onderbroken door een luide fanfare, die slechts door de eerste violen beantwoord wordt. Een tweede fanfare leidt een modulatie in, die evenwel daarna weer ongedaan wordt gemaakt om het deel weer redelijk rustig te beëindigen. Niets verraadt wat de luisteraar nog te wachten staat…

Vanaf het eerste, dissonante akkoord van het vierde deel is echter al duidelijk, dat hier iets bijzonders staat te gebeuren. Tweemaal wordt een korte fanfare afgewisseld door een recitatief van cello’s en contrabassen, waarna achtereenvolgens delen een, twee en drie kort worden geciteerd, om daarna plotseling het inmiddels wereldberoemde thema van de “Ode an die Freude” aan te kondigen. Hierop volgt een serie variaties op dit thema, waar Beethoven steeds meer tegenstemmen aan toevoegt, tot het hele orkest uit volle borst meespeelt. Hierna volgt een herhaling van de beginfanfare. Plotseling blijkt het recitatief ook gezongen te worden; zoals hierboven vermeld vraagt de baritonsolist om vreugdevollere tonen! Dit wordt gevolgd door een tweede collectie variaties op hetzelfde thema, maar nu voor orkest, koor en solisten samen, op de tekst van Schiller.

Er wordt gezegd, dat het vierde deel in zichzelf dezelfde structuur heeft als de hele symfonie bij elkaar, en deze introductie vormt het eerste deel hiervan. Na een pauze, op het woord “Gott”, volgt het tweede deel van de finale, een soort Turkse mars, compleet met bekkens en triangel. Eerst zingt alleen het mannenkoor. Na een zeer stormachtige episode voor het orkest, waarde Turkse mars nauwelijks meer in te herkennen is, blijven er ineens alleen twee hoorns over–maar algauw keert het volledige koor terug voor een “refrein” van het hoofdthema.

Het derde, langzame deel volgt op de tekst “Seid umschlungen, Millionen!” met zeer aangrijpende, bijna romantische muziek die het koor naar de hoogste regionen van hun bereik stuurt: “über Sternen muss er wohnen…” De finale van de finale brengt alle stukken tekst, en alle thema’s, bij elkaar, afwisselend in het grote koor en door de vier solozangers. De muziek is bij vlagen bijna onspeelbaar virtuoos, typerend voor late Beethoven en voor dit stuk, als overwinning ook op menselijke onmacht en onwil. Uiteindelijk is het “Götterfunken” (de vonk Gods) die toch het laatste woord heeft. Over de top? Wellicht. Hysterisch? Zonder twijfel. Maar niemand kan ontkennen dat hier een monument klinkt. Een monument voor menselijke broederschap.

 

© Hugo Bouma 2013

Comments are closed, but trackbacks and pingbacks are open.