Mahler 4

Gustav Mahler (1860-1911)
Vierde symfonie in G (1892/1900)

Der Himmel hängt voller Geigen!

Zo luidt de (oorspronkelijke) titel van een gedicht, dat Gustav Mahler in 1892 op muziek zette; een onschuldige, naïeve beschrijving van het leven na de dood, als ware het door een kind verteld. Deze uitdrukking betekent zoveel als: er is geen vuiltje aan de lucht. La vie en rose. De tekst had hij gevonden in een bundel Duitse volkspoëzie uit 1808, genaamd Des Knaben Wunderhorn, een uiteenlopende verzameling romantische—en geromantiseerde—gedichten waar hij (en vele andere componisten, waaronder zijn protégé Schönberg) nog veel vaker uit zou putten. Meteen al na het schrijven van dit lied had Mahler het idee opgevat om méér te doen met het materiaal. Echter, het zou nog jaren duren voordat het, onder de titel “Het hemelse leven” zijn eindelijke plaats vond als slotdeel van zijn Vierde symfonie. In de tussentijd bleef deze kinderlijke, naïeve muziek hem achtervolgen. In de Derde symfonie bijvoorbeeld zijn meerdere plaatsen aan te wijzen waar Mahler de luisteraar muzikaal voorbereidt op ditzelfde lied, voordat hij van gedachten veranderd was en het uit dit stuk schrapte. Het vijfde deel van dat werk bijvoorbeeld is duidelijk nauw verwant: een andere Wunderhorn-tekst, gezet voor kinderkoor. Inclusief klokjes.

Met het besluit om de “hemel vol violen” door te schuiven naar zijn volgende symfonie kwam Mahler voor de uitdaging te staan, zijn compositie van vele jaren eerder als logische conclusie te laten klinken van de delen die hij nog moest schrijven. Zodoende is het stuk eigenlijk achterstevoren gecomponeerd, met een duidelijke progressie vanaf het serene slotdeel terug naar de aardse onzekerheid van de opening. Tevens gebruikt hij, zowel letterlijk als zijdelings, materiaal uit het vierde deel in de andere delen om de luisteraar hierop voor te bereiden—zo voelt het niet als een verrassing, maar eerder als thuiskomen na een lange, emotionele reis.

Zelfs met dit in gedachten is de Vierde verreweg Mahlers lichtste en opgewektste symfonie. De bezetting is (voor zijn doen) beperkt, zonder trombones en tuba, en met een lengte van rond de 55 minuten alsnog de kortste van de negen symfonieën die hij voltooide. Ook is het de enige zonder grandioos, dramatisch begin; in plaats daarvan start Mahler met huppelende fluiten en slee-belletjes, de instructie “Bedachtzaam, zonder haast”, en, na drie maten, een zucht van ontspanning als de violen inzetten. In de aaneenschakeling van melodieën die hierop volgt blijft er lange tijd geen vuiltje aan de lucht. De componist toont zich van zijn meest opgewekte kant, tegen het sentimentele aan; elke mogelijke uitbarsting wordt in de kiem gesmoord. Ook als de sleebelletjes voor de eerste keer terugkomen lijkt er niets aan de hand te zijn. De tweede keer verschijnt echter het eerste wolkje aan de hemel (in de vorm van de soloviool) wat leidt tot de eerste echte climax, gevolgd door het laatste echte rustpunt. Daarna slaat de stemming beetje bij beetje volledig om. Het zijn dezelfde naïeve melodietjes, maar gefragmenteerd, elkaar overlappend en grotesk geïnstrumenteerd. Het is onmogelijk om te voorspellen wanneer en uit welke hoek van het orkest de volgende gepijnigde uitroep komt. Ook citaten uit het vierde deel, en zelfs uit andere werken komen langs—

…dan gaat plotseling de muziek verder alsof er nooit iets gebeurd is, en zijn we weer thuis op het Oostenrijkse platteland. Even dreigen de sleebelletjes nog roet in het eten te gooien, maar uiteindelijk verzinkt de muziek in hemelse vrede. Nog een laatste, sentimentele herinnering, en dan maakt Mahler er kort maar krachtig een einde aan.

Het tweede deel kreeg van de componist een ondertitel mee: Freund Hein spielt auf. Magere Hein krast op zijn viool een dodendans. Hiervoor krijgt de concertmeester de instructie om op een viool te spelen waarvan de snaren stuk voor stuk te hoog zijn gestemd, wat de klank op onaangename manier beïnvloedt. We horen een naargeestig walsje, afgewisseld met meer vredige momenten waarin Mahler ook weer op het slotdeel vooruitblikt. Echter, ook hierin klinkt een grimmige ondertoon. De laatste keer dat het walsje terugkeert blijft er weinig meer van over, en het deel eindigt met een snauw.

De symfonie komt helemaal tot rust aan het begin van het derde deel, als om te zeggen: we zijn bijna in de hemel, alles komt goed. Qua structuur is dit deel een afwisseling tussen twee sferen, met bijbehorende thema’s: aan de ene kant de serene muziek, waar het deel mee begint in een warm bad van strijkers, aan de andere kant een klaaglijk thema, als eerste ingezet door de hobo, waarna de violen er glijdend en snikkend mee vandoor gaan tot aan een climax en bijbehorende, totale instorting.
De tweede versie van de “serene” muziek vervolgens is aanmerkelijk vlotter en opgewekter, met een koekoek-achtig motief als uitgangspunt. Hierna wordt, geheel volgens verwachting, het B-gedeelte gevarieerd; een langere aanloop, een hogere top en een veel dieper dal. Om hier weer uit te klimmen schroeft Mahler, in enkele abrupte stappen, het tempo op. Een Weense wals, een soort geschifte polka—ineens weer totale rust. Wat Mahler vervolgens doet is heel bijzonder; hij breekt de poorten van de hemel open. Ondersteund door het hele orkest, met een glansrol voor de pauken, spelen de hoorns op volle kracht de melodie van het slotdeel.

Als dan toch de rust definitief terugkeert is de luisteraar eindelijk genoeg voorbereid om de hemel van het vierde deel te betreden. Alles van de voorgaande delen—de verwarring, de macabere verleiding en de aardse kwellingen—zijn vergeven en vergeten; hierboven is het leven goed. Structureel gezien is dit deel eenvoudig van opzet: elk couplet wordt afgesloten met een kort, koraal-achtig motief. Hierna keert dan abrupt het begin van de symfonie in zijn oorspronkelijke gedaante terug, als de schrik van een kind dat vervolgens getroost moet worden door verder te vertellen over het hemelse leven. Hier en daar beeldt Mahler elementen van het gedicht uit: zo klinkt er de klagende roep van het lam en de os, die naar de slacht worden geleid.

Bij het vierde en laatste couplet horen we dan eindelijk de hemelse muziek, waar we de hele symfonie—en ons hele leven—op hebben gewacht. Een nieuwe toonsoort (dezelfde als aan het eind van deel 3) en een melodie in de violen die we nog nooit gehoord hebben, samen met de instructie “Zeer geheimzinnig tot aan het slot” maken dat we definitief het eeuwige leven hebben bereikt. Na het laatste woord van het gedicht (erwacht, “ontwaakt”) slaapt de muziek langzaam in, tot enkel de harp en contrabas nog overblijven. Op alle vragen die Mahler over het leven stelt, heeft alleen een kind het antwoord: Der Himmel hängt voller Geigen.

 

 

 

 

Comments are closed, but trackbacks and pingbacks are open.