Tod und Verklärung

Richard Strauss (1864-1949)

Tod und Verklärung op. 24 (1888/89)

Het is moeilijk te geloven dat Richard Strauss dit toongedicht schreef op de jeugdige leeftijd van 24 jaar. Niet alleen is de muzikale taal zeer vooruitstrevend, en een duidelijke eerste stap in de richting van Strauss’ latere stijl, het onderwerp is er een dat meer zou passen bij een volwassen, ervaren componist. Tod und Verklärung (Dood en transfiguratie) gaat namelijk over een oude man, die op zijn sterfbed terugkijkt op zijn leven, en nadat hij daadwerkelijk sterft, zijn zelfopgelegde artistieke “Ideaal” bereikt. In dit opzicht contrasteert dit stuk ook met andere symfonische gedichten van Strauss, waar het verhaal veel minder abstract en esoterisch is en vaak een literaire achtergrond heeft, bijvoorbeeld Don Quixote of Till Eulenspiegel. Ondanks dat is de muziek minstens zo expressief en beeldend als al zijn andere werk.

Het stuk begint met een haperend, onregelmatig en vooral ook heel stil ritme, waar zonder moeite de zwakke hartslag (of de ademhaling) van een stervende in te horen is. Zuchtende strijkers en berustende blazers zetten de sfeer neer: het is rustig rond het sterfbed, maar onze “Artiest” heeft niet lang meer te leven. Een steeds terugkerend thema, bestaande uit een sprong omhoog, gevolgd door een langzame afdaling, kan worden geïnterpreteerd als het (onbereikbare) verlangen van de hoofdpersoon naar zijn artistieke ideaal, hetgeen hij zijn hele leven heeft nagestreefd. Een dreigende basnoot luidt het einde in van het eerste gedeelte, en dan… Een klap! De spanning is voelbaar, bouwt steeds verder op. We horen hier ook de terugkeer van de onregelmatige hartkloppingen, maar dit keer luid; de doodsstrijd is begonnen. Hier is duidelijk één van de kenmerken van Strauss’ componeerstijl te horen: eindeloos veel verschillende stemmen in het orkest zorgen voor een kolkende, diffuse klank, terwijl iedere afzonderlijke stem duidelijk hoorbaar is, en daarnaast een duidelijke muzikale rol vervult.

We horen de stervende man tevergeefs proberen, de dood te overwinnen, maar na een aantal pogingen geeft hij het toch maar op. De worsteling maakt plaats voor berusting, en voor een terugkeer van het “Ideaal”-thema, wanneer het derde gedeelte van het stuk begint: een nostalgische terugblik van de hoofdpersoon op zijn artistieke leven. Achtereenvolgens komen verschillende aspecten van zijn leven aan de orde, en daarmee ook verschillende varianten op hetzelfde thema: eerst lieflijk, vervolgens trots en militaristisch, gepassioneerd en romantisch, en daarna statig. Onderwijl blijven de hartkloppingen zich voordoen; het is duidelijk dat de dood nog steeds op de loer ligt. De muziek komt uiteindelijk tot stilstand, en ineens zijn we terug bij het sterfbed van het begin. Opnieuw kondigt ook de dood zich aan met een luide klap. Dit keer echter, is de strijd al gestreden. Enkele ogenblikken later horen we de geest van de artiest wegglijden richting de eeuwigheid.

Het buitenaardse geluid van de tamtam kondigt het begin aan van de vierde en laatste sectie van het stuk. De daadwerkelijke Verklärung, waar de artiest zijn hele leven naar zocht, manifesteert zich in zijn dood. Langzaam, zeer langzaam, stapelen de Ideaal-motieven zich op elkaar, steeds complexer en uitgebreider, leidend tot een statige, maar daarom niet minder luide climax. Het ideaal is bereikt, in de eenvoudigste van alle toonsoorten: C-majeur, waar dit symfonische gedicht mee eindigt. Toen Strauss zelf, zestig jaar later, het einde van zijn leven bereikt had, ontviel hem, dat hij de dood precies zo ervoer als hij het zich had voorgesteld in dit stuk, dat getuigt van een onovertroffen volwassenheid.

 

© Hugo Bouma 2013

Comments are closed, but trackbacks and pingbacks are open.